Deze pagina beschrijft in grote lijnen wat de Wet bescherming klokkenluiders inhoudt. Zo krijgt u snel een beeld van de belangrijkste regels. De volledige wettekst vindt u op de pagina Tekst Wet bescherming klokkenluiders.
De wettelijke bescherming geldt voor meldingen van (vermoedelijke) misstanden in de betekenis van de Wet bescherming klokkenluiders. Volgens de wet is een misstand:
- een schending of een gevaar voor schending van het Unierecht of
- een handeling of nalatigheid waarbij het maatschappelijk belang in het geding is bij
- een (gevaar voor) schending van een wettelijk voorschrift of van interne regels van een werkgever; of
- een gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid van personen, aantasting van het milieu of het goed functioneren van de openbare dienst of een onderneming als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten.
‘Maatschappelijk belang’ betekent onder andere dat de misstand meer dan alleen persoonlijke belangen raakt. Bekijk voor meer informatie de voorbeelden van het Huis voor klokkenluiders.
De wet beschermt melders die zelf getuige zijn, of zijn geweest, van een (vermoedelijke) misstand in hun werk. Denk bijvoorbeeld aan een boekhouder die heeft ontdekt dat een bepaalde klant belastinggeld misbruikt. Niet alleen werknemers en ambtenaren kunnen melder zijn, maar ook personen die een andere werkrelatie hebben met de werkgever. Denk aan zelfstandigen, vrijwilligers, stagiairs, sollicitanten, aannemers, aandeelhouders, bestuurders en leveranciers.
De wettelijke bescherming geldt ook voor mensen die de melder helpen, zoals een vertrouwenspersoon of vakbondsvertegenwoordiger.
Hetzelfde geldt voor betrokken derden. Bijvoorbeeld een familielid dat het risico loopt om als ‘straf’ benadeeld te worden op zijn werk en onderzoekers of andere personen die binnen de organisatie een melding in behandeling nemen. Lees voor meer informatie de pagina Kring van beschermden.
De identiteit van de melder wordt beschermd bij meldingen aan alle bevoegde autoriteiten, bij werkgevers en bij alle taken van het Huis voor klokkenluiders. Iedere persoon die vertrouwelijke informatie in het kader van een melding krijgt, moet deze informatie geheimhouden. Zie artikel 1a, derde en vierde lid, en artikel 3i Wet bescherming klokkenluiders.
Let op: de geheimhoudingsplicht geldt niet altijd. Als er voor een bevoegde autoriteit specifieke regels gelden, gaan deze voor (zie artikel 1b Wet bescherming klokkenluiders).
Het is niet verplicht om eerst intern (bij de eigen werkgever) te melden. Een melder die direct melding doet bij een extern meldkanaal, heeft ook recht op bescherming. Dit is geregeld in de artikelen 17e en 17ea van de Wet bescherming klokkenluiders. Een extern meldkanaal is bijvoorbeeld het Huis voor klokkenluiders of een andere bevoegde autoriteit. Eerst intern melden is vaak het beste en wordt zoveel mogelijk aangemoedigd.
Een melder die een vermoeden van een misstand openbaar maakt, is onder bepaalde voorwaarden óók beschermd. Bijvoorbeeld als de melder op redelijke gronden geen vertrouwen heeft in de externe bevoegde autoriteit die de melding onderzoekt. De precieze voorwaarden staan in artikel 17ea van de Wet bescherming klokkenluiders.
Melders lopen het risico op benadeling omdat ze een melding hebben gedaan. Benadeling van de melder kan verschillende vormen hebben. Voor de wet gelden al die vormen als benadeling. Voorbeelden hiervan zijn: ontslag of schorsing, een boete als bedoeld in artikel 650 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, demotie, het tegenhouden van promotie, een negatieve beoordeling, een schriftelijke berisping, overplaatsing naar een andere vestiging, discriminatie, intimidatie, pesterijen of uitsluiting, smaad of laster, voortijdige beëindiging van een overeenkomst voor het leveren van goederen of diensten, en intrekking van een vergunning (zie artikel 17da van de Wet bescherming klokkenluiders). Lees ook de pagina Beschermde meldingen.
Een melding kan leiden tot een rechtszaak over benadeling. Volgens de Wet bescherming klokkenluiders hoeft de melder dan alleen te bewijzen dát hij is benadeeld en een goede reden of goede redenen had voor de melding. De wet gaat uit van het vermoeden dat de benadeling het gevolg is van de melding of openbaarmaking. De bewijslast ligt bij de werkgever die de benadelende maatregel heeft genomen. De werkgever moet dus kunnen aantonen dat de benadeling niet het gevolg is van de melding.
In artikel 17f van de Wet bescherming klokkenluiders staat dat melders, degenen die hen bijstaan (zoals vertrouwenspersonen) en betrokken derden gevrijwaard zijn in gerechtelijke procedures. Dit betekent dat zij bij rechtszaken worden beschermd tegen aansprakelijkheid. Bijvoorbeeld bij een rechtszaak over geheimhouding, smaad, auteursrechten, bedrijfsinformatie, vertrouwelijkheid, loyaliteit of persoonsgegevens.
Let op: de vrijwaring geldt alleen onder de wettelijke voorwaarden. Zo is er een voorwaarde van redelijke gronden. Dit betekent dat de melder goede redenen had om te denken dat de melding of openbaarmaking nodig was om de misstand aan het licht te brengen. Ook moet de melder redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de gemelde informatie juist was.
Werkgevers bij wie minstens 50 personen werken, moeten een procedure (werkwijze) vastleggen voor de omgang met meldingen binnen hun organisatie. In die meldprocedure moet onder andere staan dat de melder binnen zeven dagen een ontvangstbevestiging krijgt en dat de melder binnen maximaal drie maanden informatie krijgt over de beoordeling van zijn melding (feedback).
Ook sommige organisaties waar minder dan 50 personen werken, moeten een interne meldprocedure hebben. Het gaat om organisaties die zich bezighouden met financiële diensten, producten en markten, het voorkomen van witwassen van geld en terrorismefinanciering, burgerluchtvaart, maritieme arbeid en havenstaatcontrole, en offshore olie- en gasactiviteiten.
Deze werkgevers moeten meldingen ook verplicht vastleggen. Verder moeten vermoedens van overtredingen van het recht van de Europese Unie volgens de interne procedure kunnen worden gemeld. Zie voor deze eisen de artikelen 2, 2a en 2b van de Wet bescherming klokkenluiders. Zie voor meer informatie de pagina's Interne meldprocedure en Wat zijn mijn wettelijke verplichtingen?
De Wet bescherming klokkenluiders wijst een aantal organisaties (inspecties en toezichthouders) aan als bevoegde autoriteiten. Deze autoriteiten moeten een meldkanaal inrichten om meldingen van vermoedens van misstanden te ontvangen en behandelen. Ook moeten ze schendingen van het Unierecht onderzoeken op de in de richtlijn genoemde gebieden en zo nodig maatregelen nemen. Voor de bevoegde autoriteiten gelden specifieke eisen voor de behandeling van meldingen van vermoedens van misstanden. Deze eisen staan in de artikelen 2d tot en met 2i van de Wet bescherming klokkenluiders. Bekijk voor meer informatie de pagina Externe meldkanalen.
Werkgevers die een interne meldprocedure moeten vaststellen, moeten meldingen van vermoedens van misstanden vastleggen in een register (lijst). Zijn gegevens van een melding niet langer echt nodig? Dan moeten die worden vernietigd. Zie de artikelen 2a en 2b van de Wet bescherming klokkenluiders en voor bevoegde autoriteiten artikel 2d van de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel 2b legt de eisen vast waaraan het vastleggen van mondelinge meldingen bij een werkgever moet voldoen.