Wet bescherming klokkenluiders

Op deze pagina vindt u een doorlopende versie van de Wet bescherming klokkenluiders (met verwerking wijzigingen wetsvoorstel 35 851, nr. 2). Deze tekst kan nog wijzigen tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Dit is de versie van 15 september 2021.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • afdeling advies: de afdeling advies van het Huis, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;
  • afdeling onderzoek: de afdeling onderzoek van het Huis, bedoeld in artikel 3a, derde lid;
  • bedrijfsgeheim: bedrijfsgeheim als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen;
  • betrokken derde: een derde die in een werkgerelateerde context verbonden is met een melder of een rechtspersoon die eigendom is van de melder, waarvoor de melder werkt of waarmee de melder anderszins werkgerelateerd verbonden is;
  • bevoegde autoriteit: een autoriteit als bedoeld in artikel 2c;
  • bureau: het bureau, bedoeld in artikel 3d;
  • degene die een melder bijstaat: een natuurlijke persoon die een melder adviseert in het meldingsproces in een werkgerelateerde context en wiens advisering vertrouwelijk is;
  • Huis: het Huis voor klokkenluiders, bedoeld in artikel 3;
  • inbreuk op het Unierecht: handeling of nalatigheid die:
    • a. onrechtmatig is en betrekking heeft op Uniehandelingen en beleidsterreinen die binnen het in artikel 2 van de richtlijn bedoelde materiële toepassingsgebied vallen, of
    • b. het doel of de toepassing ondermijnt van de regels in de Uniehandelingen en beleidsterreinen die binnen het in artikel 2 van de richtlijn bedoelde materiële toepassingsgebied vallen;
  • informatie over een inbreuk: informatie, waaronder redelijke vermoedens, over feitelijke of mogelijke inbreuken op het Unierecht, die hebben plaatsgevonden of zeer waarschijnlijk zullen plaatsvinden binnen de organisatie waar de melder werkt of heeft gewerkt of binnen een andere organisatie waarmee de melder uit hoofde van zijn werk in contact is geweest, alsmede over pogingen tot het verhullen van dergelijke inbreuken;
  • melder: een natuurlijke persoon die in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten:
    • a. verkregen informatie over een inbreuk meldt of openbaar maakt, dan wel
    • b. een vermoeden van een misstand meldt of openbaar maakt;
  • meldkanaal: organisatie en procedure bij een bevoegde autoriteit voor het ontvangen en in behandeling nemen van meldingen van informatie over een inbreuk;
  • misstand: handeling of nalatigheid waarbij het maatschappelijk belang in het geding is bij schending van een wettelijk voorschrift, een gevaar voor de volksgezondheid, een gevaar voor de veiligheid van personen, een gevaar voor de aantasting van het milieu, een gevaar voor het goed functioneren van de openbare dienst of een onderneming als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten, niet zijnde een inbreuk op het Unierecht;
  • Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties;
  • Onze Minister wie het aangaat: Onze Minister die verantwoordelijk is voor de bevoegde autoriteit;
  • opvolging: optreden van een werkgever of van een bevoegde autoriteit om de juistheid van de gedane beweringen van de melder na te gaan en zo nodig en voor zover bevoegd nader onderzoek te doen of maatregelen te treffen;
  • richtlijn: Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305);
  • vermoeden van een misstand: het vermoeden van een melder dat binnen de organisatie waarin hij werkt of heeft gewerkt of bij een andere organisatie indien hij door zijn werkzaamheden met die organisatie in aanraking is gekomen, sprake is van een misstand voor zover het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de melder bij zijn werkgever heeft opgedaan of voortvloeien uit de kennis die de melder heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij een ander bedrijf of een andere organisatie;  
  • verzoeker: de melder die de afdeling onderzoek verzoekt een onderzoek in te stellen;
  • werkgerelateerde context: huidige of vroegere werkgerelateerde activiteiten in de publieke of private sector waardoor, ongeacht de aard van die werkzaamheden, personen informatie kunnen verkrijgen over inbreuken op het Unierecht of misstanden en waarbij die personen te maken kunnen krijgen met benadeling indien zij dergelijke informatie zouden melden;
  • werkgever: degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat verrichten of heeft laten verrichten dan wel degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid laat verrichten of heeft laten verrichten;
  • werknemer: degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht of heeft verricht dan wel degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid verricht of heeft verricht.

§ 1a. Geheimhouding en gegevensbescherming

Artikel 1a

  1. Een ieder die betrokken is bij de melding van of het onderzoek naar een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
  2. Onder gegevens met een vertrouwelijk karakter worden in ieder geval begrepen:
    • a. gegevens over de identiteit van een melder en van degene aan wie de misstand of de inbreuk op het Unierecht wordt toegeschreven of met wie die persoon in verband wordt gebracht en informatie die daartoe herleidbaar is, en
    • b. informatie over een bedrijfsgeheim. 
  3. De identiteit van een melder en de informatie aan de hand waarvan direct of indirect de identiteit van de melder kan worden achterhaald, wordt niet bekend gemaakt zonder diens instemming.
  4. Ingeval enig wettelijk voorschrift in het kader van onderzoek door een bevoegde autoriteit of een gerechtelijke procedure tot mededeling van de identiteit van een melder verplicht, wordt deze daarvan vooraf in kennis gesteld, tenzij die informatie het gerelateerde onderzoek of de gerechtelijke procedure in gevaar zou kunnen brengen.
  5. Bij de kennisgeving, bedoeld in het vierde lid, ontvangt een melder of een betrokkene een schriftelijke toelichting van de redenen voor de bekendmaking van de gegevens over zijn identiteit.
  6. Een bevoegde autoriteit die informatie over bedrijfsgeheimen ontvangt, gebruikt of maakt die informatie alleen bekend voor zover dat noodzakelijk is voor een gedegen opvolging van de melding van een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk.

Artikel 1b

Artikel 1a en paragraaf 2 van hoofdstuk 1a zijn niet van toepassing voor zover voor de in deel II van de bijlage bij de richtlijn vermelde sectorspecifieke handelingen specifieke regels voor een melding van informatie over een inbreuk gelden.

Artikel 1c

  1. Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming, is het verbod om bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in paragraaf 3.1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming te verwerken niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door het Huis en de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3a, tweede lid, onderdelen a tot en met c, en derde lid, onderdelen a tot en met c, en artikel 17b, tweede lid, onder voorwaarde dat bij die uitvoering is voorzien in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad.
  2. Gelet op artikel 10 van de Algemene verordening gegevensbescherming mag het Huis persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming verwerken, indien de verwerking noodzakelijk is voor de taken, bedoeld in het eerste lid.

§ 2. Interne procedure

Artikel 2

  1. De werkgever bij wie in de regel ten minste vijftig personen werkzaam zijn, stelt voor zijn werknemers een procedure vast voor het melden van een vermoeden van een misstand en van informatie over een inbreuk binnen zijn organisatie.
  2. In de procedure, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval:
    • a. de wijze waarop met de interne melding wordt omgegaan vastgelegd;
    • b. omschreven wanneer sprake is van een vermoeden van een misstand en een inbreuk op het Unierecht met inachtneming van de definities van een vermoeden van een misstand en van een inbreuk op het Unierecht als bedoeld in deze wet;
    • c. vastgelegd bij welke daartoe aangewezen onafhankelijke functionaris of functionarissen het vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk kan worden gemeld, en welke functionarissen zorgvuldige opvolging kunnen geven aan die melding;
    • d. vastgelegd dat de werknemer de mogelijkheid heeft om een adviseur in vertrouwen te raadplegen over een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk;
    • e. vastgelegd dat een melder binnen zeven dagen na ontvangst van een melding van een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk een ontvangstbevestiging krijgt;
    • f. een redelijke termijn vastgelegd van ten hoogste drie maanden na verzending van de ontvangstbevestiging, bedoeld in onderdeel e, waarbinnen aan de melder informatie wordt verstrekt over de beoordeling en voor zover van toepassing de opvolging van de melding.
  3. In afwijking van het eerste lid, geldt de daarin neergelegde grens van vijftig personen niet voor een werkgever die valt onder het toepassingsgebied van de in de delen I.B en II van de bijlage van de richtlijn genoemde Uniehandelingen.
  4. Voor het in ontvangst nemen van meldingen van een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk, alsmede voor het uitvoeren van onderzoeken daarnaar, mogen middelen worden gedeeld door:
    • a. werkgevers in de private sector met 50 tot 249 werknemers, en
    • b. gemeenten of openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
  5. De werkgever stelt aan de bij hem werkzame personen op schriftelijke of elektronische wijze informatie beschikbaar over:
    • a. de procedure, bedoeld in het eerste lid;
    • b. de wijze waarop een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk buiten de organisatie kan worden gemeld aan bevoegde autoriteiten en voor zover van toepassing aan instellingen, organen en instanties van de Europese Unie, en
    • c. de rechtsbescherming van een werknemer bij het melden van een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk.
  6. De procedure, bedoeld in het eerste lid, kan door een werkgever worden opengesteld voor natuurlijke personen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen b, c en d, en tweede lid van de richtlijn en stelt in dat geval de informatie, bedoeld in het vijfde lid, eveneens aan die personen beschikbaar.

Artikel 2a

  1. Een werkgever als bedoeld in artikel 2 registreert een melding van een vermoeden van een misstand en van informatie over een inbreuk bij de ontvangst ervan in een daarvoor ingericht register.
  2. De gegevens van een melding in het register worden vernietigd indien zij niet langer noodzakelijk zijn om te voldoen aan de eisen van deze wet of andere bij of krachtens wet of Unierecht vastgestelde eisen.
  3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan het register, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens die daarin worden opgenomen.

Artikel 2b

  1. Indien voor een melding van een vermoeden van een misstand of van informatie over een inbreuk een telefoonlijn of een ander spraakberichtsysteem wordt gebruikt of een melder een melding doet in een gesprek op een afgesproken locatie, registreert de werkgever de melding door:
    • a. het maken van een opname van het gesprek in een duurzame en opvraagbare vorm, of
    • b. een volledige en nauwkeurige schriftelijke weergave van het gesprek.
  2. Voor de opname van een gesprek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is voorafgaand instemming van de melder vereist.
  3. De melder krijgt de gelegenheid om de schriftelijke weergave van een gesprek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

Hoofdstuk 1a. Externe meldkanalen voor meldingen van informatie over inbreuken op het Unierecht

§1. Bevoegde autoriteiten

Artikel 2c

Autoriteiten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de richtlijn, voor zover bevoegd op de in artikel 2 van de richtlijn genoemde gebieden, zijn:

  • 1⁰. de Autoriteit Consument en Markt;
  • 2⁰. de Autoriteit Financiële Markten;
  • 3⁰. de Autoriteit persoonsgegevens;
  • 4⁰. De Nederlandsche Bank N.V.;
  • 5⁰. het Huis;
  • 6⁰. de Inspectie gezondheidszorg en jeugd;
  • 7⁰. de Nederlandse Zorgautoriteit;
  • 8⁰. de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, en
  • 9⁰. bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling aangewezen organisaties en bestuursorganen, of onderdelen daarvan, die taken of bevoegdheden hebben op een van de gebieden, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn.

§2. Eisen aan meldkanalen

Artikel 2d

  1. Een bevoegde autoriteit richt voor het ontvangen en in behandeling nemen van informatie over inbreuken een meldkanaal in. Het meldkanaal biedt de mogelijkheid om, met het oog op de behandeling van een melding, informatie duurzaam op te slaan overeenkomstig de eisen gesteld in de artikelen 2a en 2b, met dien verstande dat in die artikelen de registratie en wijze van registratie slechts betrekking heeft op een melding van informatie over een inbreuk en voor werkgever wordt gelezen: bevoegde autoriteit.
  2. Een melder kan bij een meldkanaal in ieder geval op de volgende wijze een melding van informatie over een inbreuk doen:
    • a. schriftelijk;
    • b. mondeling via de telefoon of andere spraakberichtsystemen, of
    • c. op zijn verzoek binnen een redelijke termijn door middel van een gesprek op een locatie.

Artikel 2e

  1. Een bevoegde autoriteit draagt er zorg voor dat na een melding zorgvuldig wordt beoordeeld of  opvolging wordt gegeven aan de melding.
  2. De melder wordt na een melding door de bevoegde autoriteit:
    • a. onverwijld en in ieder geval binnen zeven dagen na ontvangst van de melding een ontvangstbevestiging toegestuurd, tenzij de melder uitdrukkelijk anders verzoekt of de bevoegde autoriteit op redelijke gronden oordeelt dat de ontvangstbevestiging de identiteit van de melder in gevaar brengt;
    • b. binnen drie maanden na ontvangst van de melding geïnformeerd over de beoordeling en voor zover van toepassing de opvolging van de melding, tenzij die informatie het onderzoek of de gerechtelijke procedure in gevaar zou kunnen brengen of in strijd is met een wettelijke geheimhoudingsplicht, welke termijn eenmaal, mits voldoende gemotiveerd, met drie maanden kan worden verlengd, en
    • c. in kennis gesteld van de uitkomst van het onderzoek, tenzij die informatie het onderzoek of de gerechtelijke procedure in gevaar zou kunnen brengen of in strijd is met een wettelijke geheimhoudingsplicht.
  3. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat kennisgeving van de informatie, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, het onderzoek of de gerechtelijke procedure in gevaar kan brengen, wordt de melder daarvan tijdig in kennis gesteld.
  4. Ingeval een bevoegde autoriteit een melding heeft ontvangen waarvoor zij niet bevoegd is, zendt zij de melding onverwijld en op veilige wijze door naar de bevoegde autoriteit die bevoegd is.
  5. Ingeval een andere bevoegde autoriteit of instantie, dan wel een orgaan of instantie van de Europese Unie bevoegd is tot verder onderzoek geeft een bevoegde autoriteit de voor dat onderzoek noodzakelijke informatie naar aanleiding van de melding binnen een redelijke termijn door aan die autoriteit of instantie.

Artikel 2f

  1. Een bevoegde autoriteit kan oordelen dat geen opvolging wordt gegeven aan een melding indien:
    • a. de inbreuk op het Unierecht van geringe betekenis is, of
    • b. de melding dezelfde inbreuk op het Unierecht betreft als bij de bevoegde autoriteit in behandeling is of door de bevoegde autoriteit is afgedaan, tenzij een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en dat tot een ander oordeel over de inbreuk kan leiden.
  2. Indien een bevoegde autoriteit op grond van het eerste lid geen opvolging geeft aan een melding, deelt de bevoegde autoriteit dit onder vermelding van de redenen zo spoedig mogelijk aan de melder mede, behoudens voor zover dit in strijd met een wettelijke geheimhoudingsplicht is.
  3. Een bevoegde autoriteit kan bij grote aantallen meldingen voorrang geven aan de behandeling van meldingen van ernstige inbreuken of van inbreuken op essentiële bepalingen die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen. De melder wordt hiervan in kennis gesteld binnen de termijn, bedoeld in artikel 2e, tweede lid, onderdeel b.

Artikel 2g

  1. Een bevoegde autoriteit wijst personeelsleden aan die verantwoordelijk zijn voor:
    • a. het op verzoek verstrekken van informatie over de procedure bij een melding van informatie over een inbreuk;
    • b. de ontvangst van een melding;
    • c. het onderzoek naar aanleiding van een melding, en
    • d. het onderhouden van contact met een melder.
  2. Een bevoegde autoriteit draagt ten behoeve van een goede uitoefening van hun taken zorg voor de opleiding van de personeelsleden, bedoeld in het eerste lid.
  3. Ingeval personeelsleden die niet zijn aangewezen, informatie over een inbreuk ontvangen, dragen zij die informatie onverwijld en ongewijzigd over aan de personeelsleden die op grond van het eerste lid zijn aangewezen.
  4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de eisen waaraan een opleiding als bedoeld in het tweede lid moet voldoen.

Artikel 2h

  1. Een bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de volgende informatie beschikbaar is:
    • a. de contactgegevens van het meldkanaal van de bevoegde autoriteit;
    • b. de procedures die van toepassing zijn op een melding van informatie over een inbreuk, waaronder in ieder geval informatie over:
      • 1⁰. de wijze waarop de bevoegde autoriteit de melder kan verzoeken om verduidelijking van de gemelde informatie of om verstrekking van nadere informatie;
      • 2⁰. de termijn waarbinnen de melder wordt geïnformeerd over de behandeling van de melding en zo mogelijk de resultaten daarvan;
    • c. de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in artikel 1a, die van toepassing is op een melding;
    • d. informatie over de verwerking van persoonsgegevens;
    • e. de wijze van in behandeling nemen van een melding, het onderzoek en voor zover van toepassing de maatregelen die kunnen worden genomen;
    • f. de beschermingsmaatregelen, bedoeld in deze wet, en de voorwaarden waaronder de melder voor deze maatregelen in aanmerking komt;
    • g. de voorwaarden waaronder bescherming wordt geboden tegen aansprakelijkheid voor een inbreuk op geheimhoudingsregels, bedoeld in artikel 17f;
    • h. de mogelijkheden voor vertrouwelijk advies over het doen van een melding, en
    • i. de contactgegevens en een verwijzing naar de website van het Huis, in verband met zijn taak, bedoeld in artikel 3a, tweede lid.
  2. De informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval beschikbaar gesteld op een afzonderlijke pagina van de website van de bevoegde autoriteit.

Artikel 2i

Een bevoegde autoriteit evalueert elke drie jaar de procedures voor de ontvangst van en de onderzoeken naar de meldingen van informatie over een inbreuk.

Artikel 2j

Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op een bestuursorgaan, een dienst of andere bevoegde instantie, niet zijnde een bevoegde autoriteit, die op grond van een bij of krachtens de wet of in mandaat toegekende taak of bevoegdheid een melding van informatie over een inbreuk ontvangt.

Hoofdstuk 1b. Informatieverplichting instanties die onderzoek doen naar een vermoeden van een misstand

Artikel 2k

  1. Een bevoegde autoriteit of een bestuursorgaan, dienst of instantie, die op grond van een bij of krachtens de wet toegekende taak of bevoegdheid onderzoek doet naar een vermoeden van een misstand, zorgt dat een melder binnen een door het bestuursorgaan, de dienst of instantie bekend gemaakte redelijke termijn wordt geïnformeerd over de beoordeling en voor zover van toepassing de opvolging van zijn melding, tenzij die informatie het onderzoek of een daarmee samenhangende gerechtelijke procedure in gevaar zou kunnen brengen of in strijd is met een wettelijke geheimhoudingsplicht.
  2. Indien de bevoegde autoriteit, het bestuursorgaan, de dienst of de instantie van oordeel is dat informatie over de voortgang van het onderzoek, het onderzoek of een daarmee samenhangende gerechtelijke procedure in gevaar kan brengen, wordt de melder daarvan tijdig in kennis gesteld.

Hoofdstuk 2. Het Huis voor klokkenluiders

§ 1. Instelling en taak

Artikel 3

  1. Er is een Huis voor klokkenluiders.
  2. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op het Huis, met uitzondering van de artikelen 12, 21 en 22.
  3. In afwijking van artikel 20 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is het Huis slechts verplicht aan Onze Minister inlichtingen te verstrekken of inzage te geven in zakelijke gegevens en bescheiden met betrekking tot het gevoerde financiële beheer en de administratieve organisatie.
  4. Artikel 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen vindt slechts toepassing ten aanzien van het door het Huis gevoerde financiële beheer en de administratieve organisatie.

Artikel 3a

  1. Het Huis kent een afdeling advies en een afdeling onderzoek.
  2. De afdeling advies heeft tot taak:
    • a. het informeren en adviseren van een melder, degene die een melder bijstaat en een betrokken derde over de te ondernemen stappen inzake een vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk, alsmede over de rechten van deze personen;
    • b. het verwijzen naar bestuursorganen of diensten die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten of met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift of een andere bevoegde instantie waar het vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk kan worden gemeld;
    • c. het verwijzen naar instanties of organisaties die juridische of psychosociale ondersteuning kunnen verlenen, en
    • d. het geven van algemene voorlichting over het omgaan met een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk.
  3. De afdeling onderzoek heeft tot taak:
    • a. het beoordelen of het verzoek in behandeling kan worden genomen met inachtneming van de voorwaarden, bedoeld in artikel 6, eerste lid;
    • b. het op basis van een verzoek instellen van een onderzoek naar:
      • 1°. het vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk;
      • 2°. de wijze waarop de werkgever zich jegens de melder heeft gedragen naar aanleiding van een melding van een vermoeden van een misstand of van informatie over een inbreuk;
    • c. het instellen van een onderzoek naar het vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk naar aanleiding van een of meerdere adviesaanvragen, met inachtneming van artikel 3k, derde lid, en artikel 6, eerste lid; en
    • d. het formuleren van algemene aanbevelingen over het omgaan met een vermoeden van een misstand of met informatie over een inbreuk.

Artikel 3b

  1. Het bestuur van het Huis bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier leden.
  2. De leden worden benoemd in de afdeling advies of in de afdeling onderzoek. Zij worden niet benoemd in beide afdelingen.
  3. Een lid dat betrokken is geweest bij de advisering inzake een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk neemt geen deel aan de behandeling van een onderzoek dezelfde misstand of inbreuk op het Unierecht betreffende.
  4. De voorzitter is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het Huis.

Artikel 3c

  1. De leden en de voorzitter van het Huis worden bij koninklijk besluit benoemd. Zij worden op eigen aanvraag door Onze Minister ontslagen. Zij kunnen voorts bij koninklijk besluit worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen. De voordracht voor schorsing of ontslag wordt niet gedaan dan nadat het Huis daarover is gehoord.
  2. De benoeming van de leden gebeurt op zodanige wijze dat alle relevante deskundigheid in het Huis aanwezig is ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3a.
  3. De leden worden voor een periode van ten hoogste vier jaar benoemd. De zittingsduur van het lid dat is benoemd op een tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de resterende zittingsperiode van het lid in wiens plaats dit lid is benoemd. De leden kunnen twee maal worden herbenoemd.
  4. De voorzitter en de leden vervullen geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

Artikel 3d

  1. Het bestuur van het Huis wordt ondersteund door een bureau.
  2. In afwijking van artikel 4.6, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 vertegenwoordigt de voorzitter de Staat bij het aangaan, wijzigen en beëindigen van individuele arbeidsovereenkomsten met de medewerkers van het bureau.
  3. De keuze van de medewerkers geschiedt op zodanige wijze dat alle relevante deskundigheid in het bureau aanwezig is.
  4. Het bureau bestaat uit medewerkers die in de afdeling advies als adviseur zijn aangesteld, medewerkers die in de afdeling onderzoek als onderzoeker zijn aangesteld en medewerkers in algemene dienst van het Huis.
  5. Een medewerker die als adviseur betrokken is geweest bij de advisering inzake een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk neemt geen deel aan een onderzoek dezelfde misstand of inbreuk op het Unierecht betreffende.

Artikel 3e

De medewerkers van het bureau zijn geen lid van het Huis.

§ 2. Werkwijze

Artikel 3f

  1. De leden van het Huis hebben zitting zonder last.
  2. Een lid onthoudt zich van deelneming aan de behandeling van een advies of onderzoek als bedoeld in artikel 3a, tweede en derde lid, indien:
    • a. het hemzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad aangaat;
    • b. het een instelling of rechtspersoon betreft waarbij hij werkt, heeft gewerkt of belang heeft;
    • c. het een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk betreft waarbij hij mogelijk betrokken is of is geweest;
    • d. anderszins de schijn van belangenverstrengeling kan ontstaan.

Artikel 3g

  1. Een medewerker van het bureau meldt onverwijld aan de voorzitter van het Huis dat het advies of onderzoek, bedoeld in artikel 3a, tweede en derde lid,
    • a. hemzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad aangaat;
    • b. een instelling of rechtspersoon betreft waarbij hij werkt, heeft gewerkt of belang heeft;
    • c. een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk betreft waarbij hij mogelijk betrokken is of is geweest;
    • d. anderszins de schijn van belangenverstrengeling kan wekken.
  2. De voorzitter beslist of de medewerker zich om deze reden van deelneming aan het advies of onderzoek onthoudt.

Artikel 3h

Het Huis stelt een bestuursreglement, een advies- en een onderzoeksprotocol vast en maakt deze openbaar.

Artikel 3i

Artikel 1a is van overeenkomstige toepassing op eenieder die betrokken is bij de uitvoering van de overige taken van het Huis.

§ 3. Advies

Artikel 3k

  1. Een melder, degene die een melder bijstaat en een betrokken derde kunnen de afdeling advies verzoeken om informatie en advies inzake het vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk. De adviesaanvraag is vormvrij.
  2. Informatie en advies kunnen zowel in mondelinge als in schriftelijke vorm gegeven worden. De keuze ten aanzien van de vorm van de informatie of het advies is voorbehouden aan de afdeling advies.
  3. De in een adviesaanvraag verstrekte informatie over een vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk en het advies worden door de afdeling advies niet verstrekt aan de afdeling onderzoek, tenzij de melder schriftelijk verklaart daar geen bezwaar tegen te hebben.
  4. Bij het Huis berustende informatie over het advies is niet openbaar.

§ 4. Het onderzoeken van een vermoeden van een misstand of van informatie over een inbreuk door de afdeling onderzoek

Artikel 4

  1. Een melder kan bij de afdeling onderzoek:
    • a. een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk melden ten behoeve van een onderzoek, of
    • b. verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de werkgever zich jegens hem heeft gedragen naar aanleiding van een melding van een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk.
  2. Dit artikel is niet van toepassing op:
    • a. rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, van de Wet op de rechterlijke organisatie;
    • b. een ieder die betrokken is of is geweest bij de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 en de Wet veiligheidsonderzoeken, voor zover het de uitvoering van deze wetten betreft.

Artikel 4a

De artikelen 5 en 6 tot en met 17 zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b.

Artikel 5

  1. Een verzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, wordt overeenkomstig artikel 2d, tweede lid, door de verzoeker of diens gemachtigde ingediend en wordt ondertekend ingeval het verzoek op schrift is gesteld. Het verzoek bevat ten minste:
    • a. de naam en het adres van de verzoeker;
    • b. de dagtekening;
    • c. een omschrijving van de misstand of de inbreuk op het Unierecht die wordt vermoed, waaronder de naam van de werkgever tegen wie het vermoeden zich richt, en
    • d. de gronden waarop het vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk is gebaseerd.
  2. Artikel 9:28, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op het verzoek.

Artikel 5a

De artikelen 2d, 2e en 2g tot en met 2i zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling door het Huis van een verzoek om onderzoek naar een vermoeden van een misstand.

Artikel 6

  1. Onverminderd artikel 2e, stelt de afdeling onderzoek binnen zes weken na de dagtekening van het verzoek een onderzoek in, tenzij de afdeling onderzoek oordeelt dat:
    • a. het verzoek niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 5;
    • b. het verzoek kennelijk ongegrond is;
    • c. het maatschappelijk belang bij een onderzoek door de afdeling onderzoek, dan wel de ernst van de misstand of de inbreuk op het Unierecht, kennelijk onvoldoende is;
    • d. het vermoeden van de misstand of de informatie over een inbreuk ter beoordeling staat van bestuursorganen of diensten die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten of met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift of een andere daartoe bevoegde instantie waar het vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk kan worden gemeld en het bestuursorgaan, de dienst of de andere daartoe bevoegde instantie het vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk naar behoren behandelt of heeft behandeld;
    • e. de verzoeker het vermoeden van een misstand of de informatie over een inbreuk heeft gemeld aan een leidinggevende, een vertrouwenspersoon of een andere in een interne procedure als bedoeld in artikel 2 aangewezen persoon van de organisatie waarbinnen sprake is van de vermoedelijke misstand of inbreuk op het Unierecht en de organisatie het vermoeden naar behoren heeft behandeld;
    • f. er een ander verzoek, dezelfde misstand of inbreuk op het Unierecht betreffende, bij de afdeling onderzoek in behandeling is of door de afdeling onderzoek is afgedaan, behoudens indien een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend is geworden en zulks tot een ander oordeel over de bedoelde misstand of inbreuk op het Unierecht zou hebben kunnen leiden; of
    • g. bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak reeds over de misstand of de inbreuk op het Unierecht is geoordeeld.
  2. Indien de afdeling onderzoek geen onderzoek instelt, worden de resultaten van het oordeel, bedoeld in het eerste lid, niet openbaar gemaakt.
  3. De afdeling onderzoek is niet verplicht een onderzoek voort te zetten indien:
    • a. de verzoeker naar het oordeel van de afdeling onderzoek onvoldoende meewerkt aan een zorgvuldig verloop van het onderzoek en het bewaren van de vertrouwelijkheid van uitkomsten van het onderzoek, of
    • b. een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid bekend wordt, op grond waarvan de afdeling onderzoek tot het oordeel komt dat het verzoek kennelijk ongegrond is.

Artikel 7

  1. Indien de afdeling onderzoek geen onderzoek instelt of dit niet voortzet, deelt de afdeling dit onder vermelding van de redenen zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de verzoeker mede.
  2. In het geval dat de afdeling onderzoek een onderzoek niet voortzet, doet hij de in het eerste lid bedoelde mededeling tevens aan de werkgever.

Artikel 8

  1. De afdeling onderzoek streeft ernaar het onderzoek binnen een jaar na afronding van het oordeel, bedoeld in artikel 6, eerste lid, af te ronden.
  2. De afdeling onderzoek kan naar aanleiding van het door hem verrichte onderzoek aan de werkgever aanbevelingen doen.
  3. Een oordeel of aanbeveling behelst geen vaststelling van civielrechtelijke aansprakelijkheid in verband met een misstand of inbreuk op het Unierecht, noch een vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit.

§ 4a. Onderzoek in de publieke sector

Artikel 9

Deze paragraaf is van toepassing op onderzoek door de afdeling onderzoek indien de werkgever onderdeel uitmaakt van de publieke sector. De publieke sector wordt gevormd door:

  • a. de staat;
  • b. de provincies;
  • c. de gemeenten;
  • d. de waterschappen;
  • e. de openbare lichamen voor beroep en bedrijf;
  • f. de andere openbare lichamen waaraan krachtens de Grondwet verordenende bevoegdheid is toegekend;
  • g. de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking met een statutaire zetel in Nederland;
  • h. de overige krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen; en
  • i. andere dan krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen, waarvan een orgaan is bekleed met openbaar gezag, waarbij de uitoefening van dat gezag de kernactiviteit van de rechtspersoon vormt.

Artikel 10

  1. De artikelen 9:30 tot en met 9:34 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op het onderzoek door de afdeling onderzoek, met dien verstande dat voor «bestuursorgaan» telkens gelezen wordt «werkgever» en voor «de ombudsman» telkens wordt gelezen: de afdeling onderzoek. Indien de werkgever vertegenwoordigd wordt door een meerhoofdig orgaan, wordt onder «college» verstaan: dat meerhoofdige orgaan.
  2. In afwijking van artikel 9:31, vierde lid, van de Algemene wet Bestuursrecht kunnen de ingevolge artikel 9:31, eerste lid, opgeroepen personen onderscheidenlijk degenen die ingevolge artikel 9:31, derde lid, verplicht zijn stukken over te leggen, het geven van inlichtingen onderscheidenlijk het overleggen van stukken weigeren indien het inlichtingen en bescheiden betreft waarvan het verstrekken in strijd is met het belang van de nationale veiligheid, dan wel een schending van een ambtsgeheim of wettelijk voorschrift met zich meebrengt. Voorts geldt deze verplichting niet, indien een persoon daardoor of zichzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of de derde graad of zijn echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.
  3. Tijdens het onderzoek kan de afdeling onderzoek bevelen dat personen die, hoewel wettelijk opgeroepen, niet zijn verschenen, door de openbare macht voor hem worden gebracht om aan hun verplichtingen te voldoen.
  4. Onze Minister die het aangaat kan tijdens het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, aan de afdeling onderzoek het betreden van bepaalde plaatsen verbieden, indien dit naar zijn oordeel de veiligheid van de staat zou schaden.

§ 4b. Onderzoek in de private sector

Artikel 11

Deze afdeling is van toepassing op onderzoek door de afdeling onderzoek indien artikel 9 niet van toepassing is.

Artikel 12

De afdeling onderzoek maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 13

  1. De afdeling onderzoek is bevoegd inlichtingen te vragen en inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
  2. De werkgever tegen wie het vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk zich richt, de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen, getuigen, alsmede de verzoeker, zijn verplicht de verlangde inlichtingen volledig en naar waarheid te verstrekken en zijn tevens verplicht te verschijnen.
  3. De afdeling onderzoek bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn de inlichtingen worden verstrekt.
  4. De werkgever tegen wie het vermoeden zich richt, is verplicht binnen een door de afdeling onderzoek te bepalen termijn de zakelijke gegevens en bescheiden volledig en naar waarheid te verstrekken, een en ander op de wijze door de afdeling onderzoek vast te stellen.
  5. De ingevolge het tweede lid opgeroepen personen onderscheidenlijk de werkgever die op grond van het vierde lid verplicht is stukken over te leggen, kunnen de afdeling onderzoek mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
  6. Het geven van inlichtingen of het overleggen van stukken kan worden geweigerd, indien het inlichtingen en bescheiden betreft waarvan het verstrekken in strijd is met het belang van de nationale veiligheid, dan wel een schending van een beroepsgeheim of wettelijk voorschrift met zich meebrengt. Voorts geldt deze verplichting niet, indien een persoon daardoor of zichzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of de derde graad of zijn echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.
  7. De afdeling onderzoek beslist of de beperking van de kennisneming, bedoeld in het vijfde lid, onderscheidenlijk de weigering, bedoeld in het zesde lid, gerechtvaardigd is.
  8. Indien de afdeling onderzoek heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

Artikel 14

  1. De afdeling onderzoek stelt de werkgever en de verzoeker in de gelegenheid hun standpunt toe te lichten ten aanzien van het vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk.
  2. De afdeling onderzoek beslist of de toelichting schriftelijk of mondeling en al dan niet in elkaars aanwezigheid wordt gegeven.

Artikel 15

  1. De afdeling onderzoek kan in het belang van het onderzoek deskundigen werkzaamheden opdragen en personen oproepen om als deskundige gehoord te worden of als tolk op te treden.
  2. Door de afdeling onderzoek opgeroepen deskundigen of tolken verschijnen voor hem en verlenen onpartijdig en naar beste weten hun diensten als zodanig.
  3. Getuigen zullen niet worden gehoord en tolken zullen niet tot de uitoefening van hun taak worden toegelaten dan na het afleggen van de eed of de belofte. Getuigen leggen in dat geval de eed of de belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen en tolken dat zij hun plichten als tolk met nauwgezetheid zullen vervullen.

Artikel 16

Aan de door de afdeling onderzoek opgeroepen verzoekers, getuigen, deskundigen en tolken wordt een vergoeding toegekend die ten laste van het Rijk komt. Het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

§ 5. Rapport

Artikel 17

  1. Wanneer een onderzoek is afgesloten, stelt de afdeling onderzoek een rapport op, waarin hij zijn bevindingen en zijn oordeel weergeeft. Hij neemt daarbij artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur in acht.
  2. Het rapport bevat in ieder geval, voor zover het onderzoek zich daartoe uitstrekt:
    • a. een analyse van de misstand of de inbreuk op het Unierecht,
    • b. de vaststelling van de oorzaken of de vermoedelijke oorzaken van de misstand of de inbreuk op het Unierecht en de omvang van zijn gevolgen, en
    • c. aanbevelingen aan de werkgever indien daartoe aanleiding bestaat.
  3. De afdeling onderzoek zendt een concept van het rapport aan de betrokken werkgever en de verzoeker.
  4. De werkgever en de verzoeker kunnen schriftelijk commentaar leveren gedurende een termijn van vier weken, die aanvangt met ingang van de dag na die waarop het concept van het rapport is verzonden. Zij zijn tot geheimhouding van het concept van het rapport verplicht.
  5. Indien het commentaar daartoe aanleiding geeft, kan de afdeling onderzoek het rapport aanpassen. Ingeval het commentaar niet leidt tot aanpassing, geeft de afdeling onderzoek in zijn rapport de redenen daarvoor aan.
  6. Indien de afdeling onderzoek aan een werkgever een aanbeveling als bedoeld in het tweede lid doet, deelt de werkgever binnen een redelijke termijn aan de afdeling onderzoek mee op welke wijze aan de aanbeveling gevolg zal worden gegeven. Indien de werkgever overweegt de aanbeveling niet op te volgen, deelt het dat met redenen omkleed aan de afdeling onderzoek mee.
  7. De afdeling onderzoek maakt het rapport uit eigen beweging openbaar.
  8. Bij het Huis berustende informatie over het onderzoek die niet is opgenomen in het rapport, is niet openbaar.

§ 6. Verhouding tot andere procedures

Artikel 17a

  1. Ter bevordering van de coördinatie en het overleg maken het Huis en het College van procureurs-generaal binnen een half jaar na de inwerkingtreding van de wet, afspraken over de samenwerking en informatie-uitwisseling. Het betreft in ieder geval afspraken over de gevallen waarin zowel de afdeling onderzoek een onderzoek instelt naar een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk als het openbaar ministerie een opsporingsonderzoek instelt naar een strafbaar feit ten aanzien van hetzelfde voorval. De afspraken behoeven de goedkeuring van Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
  2. De afspraken over samenwerking en informatie-uitwisseling worden neergelegd in een samenwerkingsprotocol.
  3. Indien in een concreet geval zowel de afdeling onderzoek een onderzoek instelt naar een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk als het openbaar ministerie opsporingsonderzoek instelt naar een strafbaar feit, plegen de afdeling onderzoek en het openbaar ministerie, met inachtneming van het samenwerkingsprotocol, overleg over de inrichting van beide onderzoeken.

Artikel 17b

  1. Ter bevordering van coördinatie en overleg kan het Huis samenwerkingsprotocollen afsluiten met bevoegde autoriteiten en andere bestuursorganen of diensten die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Artikel 17a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
  2. Het Huis, een bevoegde autoriteit en een bestuursorgaan of dienst als bedoeld in het eerste lid zijn bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd aan elkaar persoonsgegevens te verstrekken indien dit noodzakelijk is voor de beoordeling of opvolging van een melding als bedoeld in artikel 2e of artikel 2j of een onderzoek naar een vermoeden van een misstand waar zij bij betrokken zijn.

§ 7. Vervolg op aanbevelingen

Artikel 17c

Het Huis zendt jaarlijks aan beide kamers der Staten-Generaal een overzicht van de aanbevelingen van het Huis en van de wijze waarop aan de aanbevelingen vervolg is gegeven.

Artikel 17d

De afdeling onderzoek is bevoegd een onderzoek in te stellen naar de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van aanbevelingen die in eerder onderzoek zijn gedaan.

Hoofdstuk 2a. Beschermingsmaatregelen

Artikel 17e

  1. Een melder mag tijdens en na de behandeling van een melding of openbaarmaking van een vermoeden van een misstand of van informatie over een inbreuk niet worden benadeeld, onder de voorwaarde dat:
    • a. bij de melding aan de werkgever, een bevoegde autoriteit of een bestuursorgaan, dienst of andere bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2j, de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over een inbreuk of over het vermoeden van een misstand op het moment van de melding juist is;
    • b. bij openbaarmaking:
      • 1⁰. de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over een inbreuk of over het vermoeden van een misstand op het moment van de openbaarmaking juist is, en
      • 2⁰. de melder voorafgaand aan de openbaarmaking een melding heeft gedaan bij:
        • i. de werkgever en een bevoegde autoriteit of een bestuursorgaan, dienst of andere bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2j, of
        • ii. rechtstreeks bij een bevoegde autoriteit of een bestuursorgaan, dienst of andere bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2j , en
        • iii. de melder op basis van de informatie, bedoeld in respectievelijk artikel 2, tweede lid, onderdeel f, artikel 2e, tweede lid, onderdeel b, en artikel 2k, eerste lid, redelijke gronden heeft om aan te nemen dat het onderzoek onvoldoende voortgang heeft, of
      • 3⁰. de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat:
        • i. de misstand of inbreuk op het Unierecht een dreigend of reëel gevaar kan zijn voor het algemeen belang;
        • ii. een risico bestaat op benadeling bij melding aan een bevoegde autoriteit of een andere bevoegde instantie, of
        • iii. het niet waarschijnlijk is dat de misstand of inbreuk op het Unierecht doeltreffend wordt verholpen.
  2. Bij benadeling van een melder tijdens en na de behandeling van een melding bij de werkgever, een bevoegde autoriteit of een bestuursorgaan, dienst of andere bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2j, dan wel na openbaarmaking van een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk, wordt vermoed dat de benadeling het gevolg is van de melding dan wel de openbaarmaking.  
  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die een melder bijstaat en een betrokken derde.

Artikel 17f

  1. Onverminderd artikel 3, tweede en derde lid, van de richtlijn, is een melder ingeval van een melding of openbaarmaking van een vermoeden van een misstand of van informatie over een inbreuk niet aansprakelijk voor een inbreuk op enige beperking van de openbaarmaking van informatie, indien:
    • a. hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de melding of openbaarmaking van de informatie noodzakelijk is voor de onthulling van de inbreuk op het Unierecht of de misstand, en
    • b. de melding of openbaarmaking overeenkomstig de voorwaarden in deze wet is gedaan.
  2. Een melder is, indien hij voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, niet aansprakelijk voor het verwerven van of de toegang tot informatie die in de melding is opgenomen of die openbaar wordt gemaakt, tenzij het verwerven van of de toegang tot die informatie strafbaar is gesteld.
  3. De bewijslast dat niet voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid, berust bij degene die de melder aansprakelijk heeft gesteld.
  4. Artikel 3, tweede lid, van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen is van toepassing op een melding of openbaarmaking in de zin van deze wet.
  5. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op degene die een melder bijstaat en een betrokken derde.

Artikel 17g

Een bevoegde autoriteit en een bestuursorgaan, dienst of een bevoegde instantie als bedoeld in artikel 2j verstrekt aan een melder de bewijsstukken en documenten om in een procedure waarbij rechtsbescherming wordt gezocht te kunnen aantonen dat een melding van een vermoeden van een misstand of van informatie over een inbreuk is gedaan.

Hoofdstuk 3. Wijziging van andere wetten

Artikel 18

[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7.]

Artikel 18a

[Wijzigt de Ambtenarenwet.]

Artikel 18b

[Wijzigt de Politiewet 2012.]

Artikel 18c

[Wijzigt de Militaire ambtenarenwet 1931.]

Artikel 18d

[Wijzigt de Wet op de ondernemingsraden.]

Artikel 18e

[Vervallen per 01-01-2020]

Artikel 18f

[Vervallen per 01-01-2020]

Artikel 18g

[Wijzigt de Wet open overheid (kst. 33328).]

Artikel 18h

[Wijzigt deze wet.]

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 20

  1. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen, en vervolgens elke vijf jaar een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
  2. Het Huis en bevoegde autoriteiten en werkgevers als bedoeld in deze wet verlenen medewerking aan het verslag, bedoeld in het eerste lid, en verschaffen Onze Minister de daartoe benodigde informatie.

Artikel 21

De afdeling onderzoek is niet verplicht een onderzoek in te stellen indien de verzoeker meer dan een jaar voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een melding van een vermoeden van een misstand heeft gedaan bij de werkgever of de daartoe bevoegde instantie.

Artikel 21a

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting van het Huis.
  2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd.

Artikel 21b

  1. De artikelen 1a, 2a, 2b, 2d, tweede lid, 2e, 2f, 2j, 2k, 5a, 17b, 17e, 17f en 17g zijn niet van toepassing op een melding van een vermoeden van een misstand of van informatie over een inbreuk die is gedaan voor de inwerkingtreding van de wet van (…) tot wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen.
  2. De artikelen 2, tweede lid, onderdeel d, 3i, 3j en 6, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Huis voor klokkenluiders, artikel 658c van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 12quater, tweede lid, en 12o, vijfde lid, van de Wet ambtenaren defensie en artikel 47, derde lid, van de Politiewet 2012 zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van de wet van (…) tot wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen, blijven van toepassing op een melding van een vermoeden van een misstand die is gedaan voor de inwerkingtreding van de wet van (…) tot wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen.

Artikel 21c

De artikelen 2 tot en met 2b zijn uiterlijk met ingang van 17 december 2023 van toepassing op werkgevers in de private sector met 50 tot 249 werknemers.

Artikel 22

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 23

Deze wet wordt aangehaald als: Wet bescherming klokkenluiders.